| Restauratieprocedure |
Inleiding
Voor ik het over de eigenlijke restauratieprocedure zal hebben, komt er eerst nog eenstukje over de restauratie-ethiek.
Men dient stil te staan bij de ethische gevolgen van een restauratie.
Een restauratie is niet zomaar een herstelling, maar een terugbrengen van een historisch beeld van een gebouw.
Verkeerd uitgevoerde restauraties zijn meestal uitgevoerd zonder stil te staan bij de gevolgen van hun handelingen.
Restauratie-ethiek
We behouden monumenten omdat deze een bepaalde waarde voor ons vertegenwoordigen.
Hierbij moet men rekening houden dat die waarde subjectief is. De ene persoon kan
bijvoorbeeld het gave oorspronkelijke beeld dat de ontwerper bedoelde willen behouden,
terwijl de andere juist vindt dat het verweerde uiterlijk van een oud gebouw het gebouw
beter tot zijn recht doet komen. Ook is het belangrijk dat een monument een functie blijft
vervullen en dus ook aangepast wordt aangepast en onderhouden waarbij soms authentiek
materiaal verloren gaat, bijvoorbeeld door hervoegwerk. Hier is de vraag niet zozeer of dit
acceptabel is (het is vaak onvermijdelijk), maar aan welke condities deze ingrepen moeten
voldoen.


Een voeg is belangrijk, maar tegelijk ook ondergeschikt aan het metselwerk. Niettemin
dient de kleur, textuur en vorm van de voeg te passen in de gevel van het gebouw. Elk
monument werd indertijd in een architectonische stijl en volgens de traditie gemaakt, met
de toen gebruikelijke bouwtechnieken. De stijl en de varianten die vaak werken toegepast,
alsmede de keuze van de materialen en hun kleuren, de kwaliteit van de uitvoering, maar
ook de ligging en omgeving, bepalen de uitstraling van het gebouw.
Het gebouw ontleent zijn betekenis voor een belangrijk deel aan die uitstraling, aan het
uiterlijk ervan.


'Behouden gaat voor vernieuwen' deze uitspraak is algemeen geaccepteerd, maar
authenticiteit mag niet meer gelijkgesteld worden met het oude materiaal. Uiteraard is het
conserveren van die materialen de eerste bedoeling. Deze materialen en de daarop
uitgevoerde bewerkingen zijn immers belangrijke documenten, die een schat van kennis
en de waarden van het erfgoed in zich houden. Maar tegelijk moet men ook rekening
houden met het behoud van de totale gevel en het totale monument. Op het moment dat de
originele voegafwerkingen vervangen zijn, is hun waarde als 'getuigen' van een zekere
bouwtijd en situatie weg. Elke restauratie, zelfs indien deze 'in stijl' is uitgevoerd, is het
product van een bepaalde restauratieopvatting en een zeker niveau van kennis.
Een restauratie 'in stijl' uitvoeren heeft ook voordelen, bepaalde aspecten van
authenticiteit worden behouden, de voeg past in het historisch beeld van de gevel en deze
behoudt dus een historisch correct beeld. Maar omdat restauraties ook aan andere eisen
dienen te voldoen zijn compromissen onvermijdbaar.
Men dient bijvoorbeeld ook rekening te houden met de technische kant van de zaak, een
voeg verandert namelijk door de jaren heen door inwerking van agressieve invloeden
zoals zouten en dergelijke. Het spreekt voor zicht dat we deze voeg niet namaken, maar
wel de oorspronkelijke duurzame voeg trachten te benaderen. Ook dient men rekening te
houden met vroegere reconstructies, bijvoorbeeld de voeg die in het verleden vervangen
werd om een nieuwe modetrend te volgen. Vanuit het hedendaagse standpunt zijn die
'nieuwe' voegen wellicht interessanter als historisch document. Niet alleen het behoud
van het originele materiaal is belangrijk, maar ook het 'kunnen',
de technieken en dergelijke zijn belangrijk. De kennis van kalkmortels en de vaardigheid
om daarmee om te gaan zal daarom in stand moeten worden gehouden en doorgegeven.
Door nu bij een restauratie het nieuwe materieel zoveel mogelijk op het oude te laten
lijken en de oorspronkelijke verwerking en bewerking daarbij zo veel mogelijk te
imiteren, neemt de mate waarin het 'kunnen' wordt overgeleverd toe.
Een belangrijk begrip in het restaureren is 'reversibiliteit' en 'herhandelbaarheid'. Een
restauratie kan immers achteraf op verkeerde keuzen gebaseerd blijken te zijn. Om ons
voor een deel van die verantwoordelijkheid te ontslaan zorgen wij ervoor dat onze
ingrepen deels ongedaan kunnen gemaakt worden. In deze context dient men dan ook
zeerterughoudend te zijn bij het toepassen van producten zoals hechtemulsies,
steenverstevigers en hydrofobeermiddelen.


Deze worden in het materiaal opgenomen en krijgen we er nooit meer uit. In de dagelijkse
praktijk, waarbij het over het herstel van voegen en dergelijke gaat, zal ook maar in
beperkte mate van reversibiliteit sprake kunnen zijn. We kunnen immers het authentieke
materiaal niet terugbrengen. Desondanks zal het in kalkmortel metselen van oude stenen
doorgaans meer reversibel zijn dan het in cementmortel verwerken van dezelfde stenen.
Indien we metselen met een kalkmortel is het denkbaar het geheel te 'demonteren' en de
stenen na afbikken te herbruiken, gebruiken we cementmortel dan kunnen we de stenen
niet meer 'losmaken' na afbraak hebben we enkel puin. Er is nu reeds een grote markt in
tweedehands stenen, deze stenen brengen een zeer goede prijs op en worden soms tot 2-3
keer opnieuw gebruikt.
Eerst en vooral moet men de keuze om al dan niet in te grijpen met een restauratie
afwegen. Bij niet-ingrijpen zal verdergaande verwering, aantasting of slijtage een deel
van de authenticiteit verloren gaan, bij wel-ingrijpen is het verloren gaan van de
authenticiteit een direct gevolg van de ingreep. Daarom moet het moment van ingrijpen
verstandig gekozen worden. Te vroeg ingrijpen heeft als gevolg dat we onnodig
authentiek materiaal verwijderen, te laat ingrijpen heeft dan weer het gevolg dat onnodig
authentiek materiaal zal aangetast worden door degradatie. Indien we besluiten over te
gaan tot 'ingrijpen' moeten we ons beperkten tot een minimuminterventie. Hiermee
bedoelen we niet alleen dat een zo klein mogelijk gedeelte dient te worden behandelt,
maar ook dat het aantal behandelingen in de tijd zo gering mogelijk moet zijn.
Elke ingreep dient bovendien compatibel te zijn, zowel technisch als esthetisch. De eis
dat de ingrepen technisch passend moeten zijn, houdt in dat men zich ervan zal moeten
vergewissen dat de fysische en chemische processen die zich zullen gaan afspelen in de
constructie niet negatief zullen uitpakken voor het authentieke materiaal en het behoud
ervan zoveel mogelijk bevorderen. De thermische compatibiliteit is het grootste probleem
om een technisch compatibele voeg te bekomen. De lineaire uitzettingscoëfficiënt is
gekend voor elke soort baksteen en is meestal de helft van die van de meeste mortels. Een
mortel op kalkbasis kan de vervormingen van de baksteen redelijk goed volgen in
tegenstelling tot de minder flexibele mortel op cementbasis.


Ook het hygrisch gedrag van kalkmortels is veel beter aan te passen dan van
cementmortels, dit doordat de mengverhouding bindmiddel-zand bij kalkmortels binnen
veel ruimere grenzen kan gevarieerd worden. Schralere mortels zijn (licht)
waterdoorlatend, vette mortels zijn niet waterdoorlatend. Bovendien worden de chemische
en fysische processen in de muren nauwelijks verstoord door het gebruik van kalkmortel
als restauratiemortel, aangezien meeste oude gebouwen opgetrokken zijn met kalkmortel,
en zijn deze bijgevolg technisch compatibel. Een technisch compatibele mortel is niet
noodzakelijk een mortel met een zelfde samenstelling als de originele !
Het mechanisch gedrag van metselwerk onder drukbelasting wordt vooral bepaald door de
vervormbaarheid van de mortel en niet door de sterkte ervan. Het is vooral de treksterkte
van de baksteen die de druksterkte van het metselwerk beïnvloedt, daarom heeft het
gebruik van de 'zwakkere' kalkmortel zelden een negatieve invloed op het mechanisch
gedrag van het metselwerk.
Ook belangrijk is het duurzaam herstellen van voegwerk, brengt men bijvoorbeeld een
weinig duurzame nieuwe voeg aan dan zal als gevolg van degradatie van die nieuwe voeg
al snel gevolgschade aan het aangrenzende authentieke materiaal ontstaan. Bovendien zal
er al snel een nieuwe restauratie nodig zijn, dit is in strijd met het principe van een
'minimuminterventie'. Uiteraard is de eis van compatibiliteit superieur aan die van
duurzaamheid. Dit uit zich dan in het feit dat een voeg minder duurzaam mag zijn zodat
het metselwerk en meer bepaald de stenen van het gebouw gevrijwaard blijven van
schade.
Bij elke restauratie is beschadiging van het authentieke materiaal niet uit te sluiten. Per
(goed uitgevoerde) restauratie zal deze schade miniem zijn, maar deze schade cumuleert
met iedere nieuwe restauratie.
Men moet dus een evenwicht vinden tussen enerzijds een 'zwakkere' voeg en tegelijk een
duurzame voeg.
Ook de esthetische compatibiliteit is een hekel punt. Als mijn bijvoorbeeld de nieuwe
voeg wil laten passen in de vergrijsde gevel door deze te kleuren beperkt men de
mogelijkheid om op een later tijdstip de gevel te reinigen. Dit in overweging nemend is
het best om de voegen naderhand bij te kleuren op een wijze die kan ongedaan gemaakt
worden. Ook kunnen we in dit aspect het gebruik van kalkmortels rechtvaardigen, deze
zullen namelijk op dezelfde manier verouderen als de originele voegen (monumenten zijn
vanouds in kalkmortels gemetseld en gevoegd)
Het voegen
Het hervoegen is doorgaans de laatste ingreep in het kader van een gevelrestauratie.
Indien het voegwerk slechts her en der beschadigd is kan plaatselijk hervoegd worden. Als
de schade daarentegen algemeen is gaat men beter over tot het volledig hervoegen van de
gevel om zo storende kleurverschillen te vermijden.
Bij het plaatselijk hervoegen gebruikt men best een mortelsamenstelling die de
oorspronkelijke samenstelling en huidige kleur zo goed mogelijk benaderd. Dit om een
vlekkerig effect te vermijden.


Eerst en vooral verwijdert men de beschadigde en verweerde voegen. Hierbij moet men
bijzondere aandacht hebben voor de stenen. De stenen mogen niet beschadigd worden bij
het uithalen van de oude voegen. Men kan het verwijderen van de voegen makkelijker
maken door met een slijpschijf een snede te maken in het midden van de voeg.
Figuur 8. 7: verwijderen van oud voegwerk
Om te voorkomen dat de nieuwe voegmortel zou loskomen moet het oude voegwerk over
een goede diepte verwijderd worden. Een goede diepte is 1,5-2 keer de voegbreedte.
Een kleine hoeveelheid cement wordt namelijk gedoogd om de verharding wat te
versnellen. Dergelijke bastaardmortels zouden volgens de betrokkenen nog geen
problemen hebben opgeleverd.
Op het gebied van voorbevochtiging en nabevochtiging is er ook nog steeds veel
onduidelijkheid. Deze zijn nodig om een goede, duurzame voeg te bekomen. Nog veel
te vaak wordt het nabevochtigen niet of niet goed gedaan. Nochtans is dit bij kalk en
zeker bij traskalk een belangrijke randvoorwaarde.
Kortom: het gebruik van kalkmortels moet meer gestimuleerd worden, misschien zelfs
opgelegd. Men moet cement gaan gebruiken als hulpmiddel bij een kalkmortel zoals
men nu omgekeerd kalk bekijkt als een hulpmiddel bij een cementmortel. Uiteindelijk
moet men volledig afstappen van het gebruik van cement maar dit vereist wel een
aanpassing in denkwijze
Met een correct gebruik van hydraulische kalkmortels kan men de meeste problemen
te lijf gaan. Deze geven een voldoende initiële sterkte om aan een aanvaardbaar tempo
te kunnen werken. Uiteraard ligt dit tempo lager dan wanneer men met een
cementgebonden mortel werkt, maar dit is een nadeel dat men dient te aanvaarden.
Besluit
In elke situatie merken we dat het doeltreffend beheersen van vochtbronnen
noodzakelijk is. Indien de vochthuishouding van een muur 'gezond' is kan veel
schade voorkomen worden. In het kader van deze 'gezonde' vochthuishouding is het
aangeraden een compatibele voegmortel te kiezen! Deze compatibiliteit is niet enkel
met de vroegere mortel en de steen maar ook met de omgeving en de huidige staat van
conservering!
Indien men bijvoorbeeld een cementmortel gebruikt als voegmortel boven een
kalkmortel krijgt men een onderbreking in het capillair systeem. Het vocht kan zich
vrij makkelijk doorheen de kalkmortel bewegen, maar niet door de cementmortel.
Hierdoor ontstaat een ophoping van vocht achter de cementmortel die aanleiding kan
geven tot schade.
Als voornaamste oorzaak van schade aan metselwerk waardoor een restauratie vereist
is wordt door de betrokkenen het gebruik van te harde voegen in vorige restauraties
toegeschreven. Ondanks deze vaststelling blijft het gebruik van cementgebonden
voegmortels ingeburgerd. Dit ondanks het beleid dat het gebruik van kalkmortels
promoot. De reden waarom men nog steeds cement gebruikt is tijdwinst. Tijdwinst die
gelijk staat met financiële winst.
Deze lijst is uiteraard veel te kort om een representatief beeld te geven van alle
gebruikte mortelsamenstellingen. Er zijn namelijk ook aannemers die wel met kalk
werken, hier kreeg ik echter geen info rond voegmortelsamenstellingen behalve dan
dat ze kalk bevatten.
Een algemene samenstelling geven van een goede voegmortel voor een restauratie is
ook niet mogelijk. Iedere werf vereist namelijk zijn specifieke mortelsamenstelling die
moet bepaald worden na een onderzoek van de oude mortel en na een onderzoek van
de schademechanismen in het metselwerk.
Slechts nadat de schademechanismen zijn opgelost d.m.v. bijvoorbeeld uitschakelen
van vochtbronnen, kan men hervoegen!
Men moet het gebruik van cement als bindmiddel stoppen en meer naar het gebruik
van cement als hulpmiddel gaan.


In de 18e eeuw kregen de voegen steeds meer vorm, types als de gesneden en geknipte voeg
zijn hiervan mooie voorbeelden. Het verschil tussen een knipvoeg en een snijvoeg is niet
altijd duidelijk. Bij een knipvoeg steekt de voeg wat uit ten opzichte van het oppervlak
van de steen. Een snijvoeg daarentegen strookt met het oppervlak van de steen.
Deze evolutie zette zich door en mondde uit in het wegvallen van een stootvoeg en soms zeer fijne lintvoegen.
Vanaf het einde van de 17e eeuw en zeker vanaf de 18e eeuw werd navoegwerk volop toegepast.
|
|
|