Home
Wie zijn wij Wat doen wij
Fotoalbum
Contact
Restauratieprocedure
Inleiding
Voor ik het over de eigenlijke restauratieprocedure zal hebben, komt er eerst nog eenstukje over de restauratie-ethiek.
Men dient stil te staan bij de ethische gevolgen van een restauratie.
Een restauratie is niet zomaar een herstelling, maar een terugbrengen van een historisch beeld van een gebouw.
Verkeerd uitgevoerde restauraties zijn meestal uitgevoerd zonder stil te staan bij de gevolgen van hun handelingen.

Restauratie-ethiek
We behouden monumenten omdat deze een bepaalde waarde voor ons vertegenwoordigen. Hierbij moet men rekening houden dat die waarde subjectief is. De ene persoon kan bijvoorbeeld het gave oorspronkelijke beeld dat de ontwerper bedoelde willen behouden, terwijl de andere juist vindt dat het verweerde uiterlijk van een oud gebouw het gebouw beter tot zijn recht doet komen. Ook is het belangrijk dat een monument een functie blijft vervullen en dus ook aangepast wordt aangepast en onderhouden waarbij soms authentiek materiaal verloren gaat, bijvoorbeeld door hervoegwerk. Hier is de vraag niet zozeer of dit acceptabel is (het is vaak onvermijdelijk), maar aan welke condities deze ingrepen moeten voldoen.

Afbeelding 1 Afbeelding 2 Afbeelding 3
Een voeg is belangrijk, maar tegelijk ook ondergeschikt aan het metselwerk. Niettemin dient de kleur, textuur en vorm van de voeg te passen in de gevel van het gebouw. Elk monument werd indertijd in een architectonische stijl en volgens de traditie gemaakt, met de toen gebruikelijke bouwtechnieken. De stijl en de varianten die vaak werken toegepast, alsmede de keuze van de materialen en hun kleuren, de kwaliteit van de uitvoering, maar ook de ligging en omgeving, bepalen de uitstraling van het gebouw. Het gebouw ontleent zijn betekenis voor een belangrijk deel aan die uitstraling, aan het uiterlijk ervan.

Afbeelding 4 Afbeelding 5 Afbeelding 6
'Behouden gaat voor vernieuwen' deze uitspraak is algemeen geaccepteerd, maar authenticiteit mag niet meer gelijkgesteld worden met het oude materiaal. Uiteraard is het conserveren van die materialen de eerste bedoeling. Deze materialen en de daarop uitgevoerde bewerkingen zijn immers belangrijke documenten, die een schat van kennis en de waarden van het erfgoed in zich houden. Maar tegelijk moet men ook rekening houden met het behoud van de totale gevel en het totale monument. Op het moment dat de originele voegafwerkingen vervangen zijn, is hun waarde als 'getuigen' van een zekere bouwtijd en situatie weg. Elke restauratie, zelfs indien deze 'in stijl' is uitgevoerd, is het product van een bepaalde restauratieopvatting en een zeker niveau van kennis. Een restauratie 'in stijl' uitvoeren heeft ook voordelen, bepaalde aspecten van authenticiteit worden behouden, de voeg past in het historisch beeld van de gevel en deze behoudt dus een historisch correct beeld. Maar omdat restauraties ook aan andere eisen dienen te voldoen zijn compromissen onvermijdbaar. Men dient bijvoorbeeld ook rekening te houden met de technische kant van de zaak, een voeg verandert namelijk door de jaren heen door inwerking van agressieve invloeden zoals zouten en dergelijke. Het spreekt voor zicht dat we deze voeg niet namaken, maar wel de oorspronkelijke duurzame voeg trachten te benaderen. Ook dient men rekening te houden met vroegere reconstructies, bijvoorbeeld de voeg die in het verleden vervangen werd om een nieuwe modetrend te volgen. Vanuit het hedendaagse standpunt zijn die 'nieuwe' voegen wellicht interessanter als historisch document. Niet alleen het behoud van het originele materiaal is belangrijk, maar ook het 'kunnen', de technieken en dergelijke zijn belangrijk. De kennis van kalkmortels en de vaardigheid om daarmee om te gaan zal daarom in stand moeten worden gehouden en doorgegeven. Door nu bij een restauratie het nieuwe materieel zoveel mogelijk op het oude te laten lijken en de oorspronkelijke verwerking en bewerking daarbij zo veel mogelijk te imiteren, neemt de mate waarin het 'kunnen' wordt overgeleverd toe. Een belangrijk begrip in het restaureren is 'reversibiliteit' en 'herhandelbaarheid'. Een restauratie kan immers achteraf op verkeerde keuzen gebaseerd blijken te zijn. Om ons voor een deel van die verantwoordelijkheid te ontslaan zorgen wij ervoor dat onze ingrepen deels ongedaan kunnen gemaakt worden. In deze context dient men dan ook zeerterughoudend te zijn bij het toepassen van producten zoals hechtemulsies, steenverstevigers en hydrofobeermiddelen.

Afbeelding 7 Afbeelding 8 Afbeelding 9
Deze worden in het materiaal opgenomen en krijgen we er nooit meer uit. In de dagelijkse praktijk, waarbij het over het herstel van voegen en dergelijke gaat, zal ook maar in beperkte mate van reversibiliteit sprake kunnen zijn. We kunnen immers het authentieke materiaal niet terugbrengen. Desondanks zal het in kalkmortel metselen van oude stenen doorgaans meer reversibel zijn dan het in cementmortel verwerken van dezelfde stenen. Indien we metselen met een kalkmortel is het denkbaar het geheel te 'demonteren' en de stenen na afbikken te herbruiken, gebruiken we cementmortel dan kunnen we de stenen niet meer 'losmaken' na afbraak hebben we enkel puin. Er is nu reeds een grote markt in tweedehands stenen, deze stenen brengen een zeer goede prijs op en worden soms tot 2-3 keer opnieuw gebruikt. Eerst en vooral moet men de keuze om al dan niet in te grijpen met een restauratie afwegen. Bij niet-ingrijpen zal verdergaande verwering, aantasting of slijtage een deel van de authenticiteit verloren gaan, bij wel-ingrijpen is het verloren gaan van de authenticiteit een direct gevolg van de ingreep. Daarom moet het moment van ingrijpen verstandig gekozen worden. Te vroeg ingrijpen heeft als gevolg dat we onnodig authentiek materiaal verwijderen, te laat ingrijpen heeft dan weer het gevolg dat onnodig authentiek materiaal zal aangetast worden door degradatie. Indien we besluiten over te gaan tot 'ingrijpen' moeten we ons beperkten tot een minimuminterventie. Hiermee bedoelen we niet alleen dat een zo klein mogelijk gedeelte dient te worden behandelt, maar ook dat het aantal behandelingen in de tijd zo gering mogelijk moet zijn. Elke ingreep dient bovendien compatibel te zijn, zowel technisch als esthetisch. De eis dat de ingrepen technisch passend moeten zijn, houdt in dat men zich ervan zal moeten vergewissen dat de fysische en chemische processen die zich zullen gaan afspelen in de constructie niet negatief zullen uitpakken voor het authentieke materiaal en het behoud ervan zoveel mogelijk bevorderen. De thermische compatibiliteit is het grootste probleem om een technisch compatibele voeg te bekomen. De lineaire uitzettingscoëfficiënt is gekend voor elke soort baksteen en is meestal de helft van die van de meeste mortels. Een mortel op kalkbasis kan de vervormingen van de baksteen redelijk goed volgen in tegenstelling tot de minder flexibele mortel op cementbasis.

Afbeelding 10 Afbeelding 11 Afbeelding 12
Ook het hygrisch gedrag van kalkmortels is veel beter aan te passen dan van cementmortels, dit doordat de mengverhouding bindmiddel-zand bij kalkmortels binnen veel ruimere grenzen kan gevarieerd worden. Schralere mortels zijn (licht) waterdoorlatend, vette mortels zijn niet waterdoorlatend. Bovendien worden de chemische en fysische processen in de muren nauwelijks verstoord door het gebruik van kalkmortel als restauratiemortel, aangezien meeste oude gebouwen opgetrokken zijn met kalkmortel, en zijn deze bijgevolg technisch compatibel. Een technisch compatibele mortel is niet noodzakelijk een mortel met een zelfde samenstelling als de originele ! Het mechanisch gedrag van metselwerk onder drukbelasting wordt vooral bepaald door de vervormbaarheid van de mortel en niet door de sterkte ervan. Het is vooral de treksterkte van de baksteen die de druksterkte van het metselwerk beïnvloedt, daarom heeft het gebruik van de 'zwakkere' kalkmortel zelden een negatieve invloed op het mechanisch gedrag van het metselwerk. Ook belangrijk is het duurzaam herstellen van voegwerk, brengt men bijvoorbeeld een weinig duurzame nieuwe voeg aan dan zal als gevolg van degradatie van die nieuwe voeg al snel gevolgschade aan het aangrenzende authentieke materiaal ontstaan. Bovendien zal er al snel een nieuwe restauratie nodig zijn, dit is in strijd met het principe van een 'minimuminterventie'. Uiteraard is de eis van compatibiliteit superieur aan die van duurzaamheid. Dit uit zich dan in het feit dat een voeg minder duurzaam mag zijn zodat het metselwerk en meer bepaald de stenen van het gebouw gevrijwaard blijven van schade. Bij elke restauratie is beschadiging van het authentieke materiaal niet uit te sluiten. Per (goed uitgevoerde) restauratie zal deze schade miniem zijn, maar deze schade cumuleert met iedere nieuwe restauratie. Men moet dus een evenwicht vinden tussen enerzijds een 'zwakkere' voeg en tegelijk een duurzame voeg. Ook de esthetische compatibiliteit is een hekel punt. Als mijn bijvoorbeeld de nieuwe voeg wil laten passen in de vergrijsde gevel door deze te kleuren beperkt men de mogelijkheid om op een later tijdstip de gevel te reinigen. Dit in overweging nemend is het best om de voegen naderhand bij te kleuren op een wijze die kan ongedaan gemaakt worden. Ook kunnen we in dit aspect het gebruik van kalkmortels rechtvaardigen, deze zullen namelijk op dezelfde manier verouderen als de originele voegen (monumenten zijn vanouds in kalkmortels gemetseld en gevoegd)

Het voegen
Het hervoegen is doorgaans de laatste ingreep in het kader van een gevelrestauratie. Indien het voegwerk slechts her en der beschadigd is kan plaatselijk hervoegd worden. Als de schade daarentegen algemeen is gaat men beter over tot het volledig hervoegen van de gevel om zo storende kleurverschillen te vermijden. Bij het plaatselijk hervoegen gebruikt men best een mortelsamenstelling die de oorspronkelijke samenstelling en huidige kleur zo goed mogelijk benaderd. Dit om een vlekkerig effect te vermijden.

Afbeelding 13 Afbeelding 14 Afbeelding 15
Eerst en vooral verwijdert men de beschadigde en verweerde voegen. Hierbij moet men bijzondere aandacht hebben voor de stenen. De stenen mogen niet beschadigd worden bij het uithalen van de oude voegen. Men kan het verwijderen van de voegen makkelijker maken door met een slijpschijf een snede te maken in het midden van de voeg. Figuur 8. 7: verwijderen van oud voegwerk Om te voorkomen dat de nieuwe voegmortel zou loskomen moet het oude voegwerk over een goede diepte verwijderd worden. Een goede diepte is 1,5-2 keer de voegbreedte. Een kleine hoeveelheid cement wordt namelijk gedoogd om de verharding wat te versnellen. Dergelijke bastaardmortels zouden volgens de betrokkenen nog geen problemen hebben opgeleverd. Op het gebied van voorbevochtiging en nabevochtiging is er ook nog steeds veel onduidelijkheid. Deze zijn nodig om een goede, duurzame voeg te bekomen. Nog veel te vaak wordt het nabevochtigen niet of niet goed gedaan. Nochtans is dit bij kalk en zeker bij traskalk een belangrijke randvoorwaarde. Kortom: het gebruik van kalkmortels moet meer gestimuleerd worden, misschien zelfs opgelegd. Men moet cement gaan gebruiken als hulpmiddel bij een kalkmortel zoals men nu omgekeerd kalk bekijkt als een hulpmiddel bij een cementmortel. Uiteindelijk moet men volledig afstappen van het gebruik van cement maar dit vereist wel een aanpassing in denkwijze Met een correct gebruik van hydraulische kalkmortels kan men de meeste problemen te lijf gaan. Deze geven een voldoende initiële sterkte om aan een aanvaardbaar tempo te kunnen werken. Uiteraard ligt dit tempo lager dan wanneer men met een cementgebonden mortel werkt, maar dit is een nadeel dat men dient te aanvaarden.

Besluit
In elke situatie merken we dat het doeltreffend beheersen van vochtbronnen noodzakelijk is. Indien de vochthuishouding van een muur 'gezond' is kan veel schade voorkomen worden. In het kader van deze 'gezonde' vochthuishouding is het aangeraden een compatibele voegmortel te kiezen! Deze compatibiliteit is niet enkel met de vroegere mortel en de steen maar ook met de omgeving en de huidige staat van conservering! Indien men bijvoorbeeld een cementmortel gebruikt als voegmortel boven een kalkmortel krijgt men een onderbreking in het capillair systeem. Het vocht kan zich vrij makkelijk doorheen de kalkmortel bewegen, maar niet door de cementmortel. Hierdoor ontstaat een ophoping van vocht achter de cementmortel die aanleiding kan geven tot schade. Als voornaamste oorzaak van schade aan metselwerk waardoor een restauratie vereist is wordt door de betrokkenen het gebruik van te harde voegen in vorige restauraties toegeschreven. Ondanks deze vaststelling blijft het gebruik van cementgebonden voegmortels ingeburgerd. Dit ondanks het beleid dat het gebruik van kalkmortels promoot. De reden waarom men nog steeds cement gebruikt is tijdwinst. Tijdwinst die gelijk staat met financiële winst. Deze lijst is uiteraard veel te kort om een representatief beeld te geven van alle gebruikte mortelsamenstellingen. Er zijn namelijk ook aannemers die wel met kalk werken, hier kreeg ik echter geen info rond voegmortelsamenstellingen behalve dan dat ze kalk bevatten. Een algemene samenstelling geven van een goede voegmortel voor een restauratie is ook niet mogelijk. Iedere werf vereist namelijk zijn specifieke mortelsamenstelling die moet bepaald worden na een onderzoek van de oude mortel en na een onderzoek van de schademechanismen in het metselwerk. Slechts nadat de schademechanismen zijn opgelost d.m.v. bijvoorbeeld uitschakelen van vochtbronnen, kan men hervoegen! Men moet het gebruik van cement als bindmiddel stoppen en meer naar het gebruik van cement als hulpmiddel gaan.

Afbeelding 16 Afbeelding 17 Afbeelding 18
In de 18e eeuw kregen de voegen steeds meer vorm, types als de gesneden en geknipte voeg zijn hiervan mooie voorbeelden. Het verschil tussen een knipvoeg en een snijvoeg is niet altijd duidelijk. Bij een knipvoeg steekt de voeg wat uit ten opzichte van het oppervlak van de steen. Een snijvoeg daarentegen strookt met het oppervlak van de steen. Deze evolutie zette zich door en mondde uit in het wegvallen van een stootvoeg en soms zeer fijne lintvoegen. Vanaf het einde van de 17e eeuw en zeker vanaf de 18e eeuw werd navoegwerk volop toegepast.